Een gymles uit 1964, “ons team bestaat uit goede werpers, en wij hebben Henk”

Gigagym Een gymles uit 1964
Ed Friedel beschrijft een gymles uit 1964: “ons team bestaat uit goede werpers, en wij hebben Henk.”

Het is zaterdagmorgen. Lente 1964. De laatste schoolochtend van de week. Vanmiddag voetballen we tegen Jonathan uit Zeist. We spelen gelukkig thuis, want uit naar Jonathan betekent altijd regen. Meester Akkermans legt ons uit hoe we procenten moeten berekenen. Voor mij zit Henk Alblas. Henk woont in Groenekan. Hij kan heel hard rennen en heeft blonde krullen. Het valt mij op dat kinderen met krullen vaak harder hollen dan bijvoorbeeld meisjes met vlechtjes in hun haar. In het speelkwartier doen we overlopertje. Niemand kan Henk aftikken. Hij is ons allen te snel af. Naast mij zit Trees. Haar vader is boekhouder. Ik weet niet of hij goed kan hardlopen maar hij weet natuurlijk wel hoe je procenten moet berekenen. Trees draagt een bril en zit op korfbal. Meisjes zitten op gym of doen aan korfballen. Zesjes gooien. Bij korballen heb je een middenvak. Als je daar in komt te staan doe je eigenlijk helemaal niet mee. Dat lijkt mij dus niks, dat je niet mag meedoen. Dirk Klees, die goed is in Geschiedenis doet ook nergens aan mee. Hij voetbalt niet, hij korfbalt niet en bij het overloop spel staat hij verveeld tegen de muur van de school. Naast zijn tafeltje staat zijn tas. Die zit vol met boeken. Vandaag zit daar ook zijn gymbroek in. Want op zaterdag hebben wij gym. Buiten op het veld. Dirk heeft een blauwe open kokerige gymbroek. Wij krijgen gym van Meester Kater. Op zaterdag geeft hij altijd een balspel. Vaak handbal, want dat doet hij zelf ook. Om elf uur gaat de schoolbel. De klas joelt. Wij krijgen huiswerk mee. Honderd sommen met procenten. Het veld ligt honderd meter naast de school. Buiten kleden wij ons om. Dirk ook, maar schuchter. Vlak bij de bosjes. Aan de opstelling van de drie palen en de met lint afgezette driehoek op de grond, het thuishonk, zien we dat we het kastie spel gaan doen. De kastiebal is ietwat ovaal, van hard leer en gevuld met paardenhaar. Je hebt een veldpartij en een slagpartij. Diegene die aan slag is mag gebruik maken van een plankje of een knuppel. Vangt de veldpartij de bal dan ben je uit. Bij drie vangballen wordt er gewisseld. De slagpartij gaat het veld in en andersom: nu mag de veldpartij proberen om punten te scoren. Dichtbij de afgezette driehoek staat één van de drie palen. Dat is het zogenoemde vluchthonk. Daar ren je naar toe als je de bal niet ver geslagen hebt. Het is zaak om eerder het vluchthonk te bereiken dan dat je door de tegenpartij met de kastiebal wordt afgegooid. In dat geval moet er namelijk ook gewisseld worden en wel zodanig dat een ieder van de veldpartij veilig het thuishonk moet zien te bereiken. Veilig houdt in dat jij niet op jouw beurt weer wordt afgegooid. Alleen de partij die aan slag is kan punten scoren. Kwestie van tactisch slaan om vervolgens, zo mogelijk, te hollen naar één van de twee verste palen die ongeveer dertig meter verder in het veld staan en van daar weer terug naar het thuisvak. Zij die bij het vluchthonk staan moeten bij de eerstvolgende slag ook één van de verste palen aanraken alvorens terug naar het thuisvak te rennen. De loper moet inschatten of hij na de geslagen bal veilig de andere paal, het honk, bereikt dan wel blijft staan. Je moet immers voorkomen dat je tijdens het lopen wordt afgegooid. Dirk wordt door meester Kater verplicht om mee te doen. Dirk slaat altijd met het plankje. Vaak slaat hij de bal omhoog en wordt dan prompt uitgevangen. Niemand wil in het team van Dirk zitten. Ons team bestaat uit goede werpers en wij hebben Henk. Die hard kan hollen. Altijd handig als ie achter de ver geslagen bal aan moet. Het is een onbewolkte dag. De eerste zeven tegenstanders slagen er in om het vluchthonk te bereiken. Daar is het inmiddels een drukte van jewelste. Alleen Bob slaagt er in om direct het verre honk te bereiken. De andere zeven blijven toch maar bij het vluchthonk staan. De schijters. Nu komt Bennie aan slag. Bennie vist. Zijn vader heeft een herenmodezaak. Ooit heeft een klant tijdens het passen van een broek een rotte baars in één van de broekzakken gevonden. Daarom stonk het al een tijdje in de winkel. Bennie leert slecht maar kan heel goed slaan. Ook met kastie. Wij zijn de veldpartij en gaan al een behoorlijk stuk naar achteren om de komeet uit de lucht te plukken. Dirk staat dichtbij de struiken. Daar liggen zijn kleren en staan ook de brandnetels. Bennie slaat natuurlijk met de knuppel. Een plankje is voor meisjes meent Bennie. Hij haalt uit. Achttien paar ogen volgen de kastiebal. Die gaat richting Dirk. De zeven vluchtelingen hollen nu naar het verste honk, tikken het aan en vliegen richting het thuisvak. De bal vervolgt haar baan om de aarde. Bennie wandelt op zijn dooie akkertje naar het honk achter in het veld. Één van zijn handen rust in zijn gymbroekzakje. Dirk krijgt het Spaans benauwd. Bob is al lang binnen. Dirk weet dat alle ogen nu op hem zijn gericht. Dan stuitert de bal achter hem op de grond. Tussen de brandnetels. Een hels dilemma. In die vervloekte netels springen en de bal grijpen? De hele zaterdag jeuk aan benen en armen? En wat dan? Stel, zo denkt Dirk, hij heeft de bal..dan moet hij nog maar eens Ben zien af te gooien. Ben van de modezaak met zijn losse handjes. En Ben zal, zodra hij afgegooid is, ogenblikkelijk op zijn beurt de bal oprapen en ongehoord hard de kastiebal tegen hem, Dirk, smijten. Je kan beter een kogel terug koppen, denkt Dirk vertwijfeld. Zijn teamgenoten schreeuwen hem nu toe de bal te pakken. Lang tijd heeft hij nu niet meer. In zijn ooghoek ziet hij dat Ben het honk al heeft aangeraakt en op weg naar het thuisvak is. Meester Kater heeft al acht punten gescoord, Bob en diens na hem binnen gekomen zeven vluchtelingen. Dirk rest niet anders te doen dan de kastiebal tussen de vervaarlijke netels op te rapen. Hij bukt en voelt de planten prikken in zijn gelaat en op zijn armen. Triomfantelijk steekt hij dan de bal omhoog. Iedereen schreeuwt dat hij Ben moet raken en hollen tegelijk richting het thuishonk om een veilig heenkomen te vinden. Waar Dirk de moed vandaan haalt weet hij nu nog niet. Hij gooit! Ben heeft het stuk leder nooit zien aankomen. Vol wordt hij op zijn achterhoofd getroffen. Het licht gaat uit bij Ben.Als hij bijkomt in het ziekenhuis staat Dirk naast zijn bed. Hij geeft Ben het plankje waarop alle klasgenoten hun naam hebben geschreven. Dirk staat er wat onnozel bij en zegt dan zachtjes dat we de volgende gymles “ toestellen” gaan krijgen. Hij vraagt Ben of ze dan samen de Brug en de Kast zullen gaan uitzetten.